Michael Mols blikt terug op zijn loopbaan

“Mijn afscheid bij FC Utrecht zal ik nooit vergeten”

 

 

Het is eind mei 1999. Als jongen van net zestien jaar sta ik in het stadion na de wedstrijd FC Utrecht – PSV. Hoewel de wedstrijd al zeker een kwartier afgelopen is, is de Galgenwaard nog steeds barstensvol. Honderden mensen om me heen staan met tranen in hun ogen te kijken naar één man: Michael Mols.


Na vandaag is hij geen speler van FC Utrecht meer, maar gaat hij zijn geluk beproeven bij de Glasgow Rangers. Nu, tien jaar later, stopt Michael Mols met voetballen op het hoogste niveau. Forza zocht hem op voor een laatste terugblik op zijn loopbaan en in het bijzonder: zijn tijd bij FC Utrecht.

Met een FC Utrecht shirt en een bos bloemen arriveren we bij De Kuip. De zon schijnt en de selectie heeft net getraind. Ik draag de bloemen die de SupportersVereniging eigenlijk zondag na FC Utrecht – Feyenoord had willen geven als dank voor de mooie jaren van Michael Mols bij FC Utrecht. Helaas besloot de clubleiding dat dit niet mocht omdat het het afscheid van een ander clubmens, Shew Atjon, naar de achtergrond zou drukken.

Al snel arriveren we bij de perskamer van Feyenoord waar Giovanni van Bronckhorst wordt geinterviewd voor Radio Rijnmond. Onderwerp van gesprek: De Play-Offs.
 
Na de lunch is ook Michael Mols aan de beurt voor een interview met de Rotterdamse radiozender, daarna maakt de clubtopscorer van weleer tijd vrij voor ons. We overhandigen de bloemen en vertellen dat ze de zondag ervoor niet overhandigd mochten worden. Michael reageert onmiddellijk zoals we van hem gewend zijn: “Dank je wel. Maar ik begrijp het ook wel van FC Utrecht. Ik vond het gebaar van het publiek na de wedstrijd heel erg mooi.” We gaan zitten, tijd voor een terugblik.
 
Michael, je kwam in augustus 1996 bij FC Utrecht terecht na een teleurstellende periode bij FC Twente.
“Dat was ook voor jullie na een teleurstellende periode. Want Utrecht speelde zichzelf veilig bij FC Twente door met 2-1 te winnen. Ik weet nog dat er heel veel bussen met Utrecht-supporters waren en dat ik van FC Utrecht-supporters hoorde: Volgend jaar kom je lekker bij ons. Die hebben toch mooi gelijk gekregen.”
 
Omschrijf de sfeer eens waar je in terecht kwam?
“Utrecht begon eigenlijk weer opnieuw. Ik denk dat het in die tijd weer een beetje begon te leven bij FC Utrecht. Ik meen me te herinneren dat er een vrije trap was van Hans Visser en dat daarna FC Utrecht weer echt begon te leven bij iedereen. En dat merkte je ook door de sfeer in het stadion. Zelf wilde ik vooral weer plezier krijgen in het voetballen. Daarom heb ik bewust gekozen voor Utrecht. Dan kon ik weer in Amsterdam gaan wonen en ik wilde graag werken onder Spelbos en Wouters, de toenmalige trainers.”
 
Hoeveel invloed heeft de trainer op de keuze voor een nieuwe club?
“Dat was voor mij de grootste reden om voor Utrecht te tekenen. Ik was het plezier kwijt geraakt bij Twente, daar zat ik op een zijspoor. Bij Utrecht kon ik me verder ontwikkelen onder Spelbos en Wouters. Voor mij was het op dat moment ook belangrijk dat ik weer in Amsterdam kon gaan wonen.”


 
Was het wonen in het Oosten een cultuurshock?
“Nou, het is toch een mentaliteitsverschil tussen het westen en daar. Ik had het gevoel dat ze daar een minderwaardigheidsgevoel hadden. En wat voor mij belangrijk is: Ik moet me gewoon lekker op m’n gemak voelen met vrienden en familie om me heen. Als het dan sportief wat minder gaat, worden die dingen toch extra belangrijk.”
 
Al snel groeide je uit tot een publiekslieveling in de Galgenwaard.
“Voor mijn gevoel is dat heel geleidelijk gegaan. Ik weet nog dat er zes aankopen waren en ik was een beetje in de luwte. Utrecht kocht toen Rob Witschge en John van Loen, Dick van Burik, Reinier Robbemond, René van den Brink en mij. En Van Loen, Witschge en Van Burik waren de blikvangers. Ik wist helemaal niet hoe de supporters tegen mij aankeken.
 
En dan ook nog geboren in Amsterdam.

“Ja, het begint met 020, daarna Amsterdammer en dan wordt het uiteindelijk toch Michael. Zo ging het bij Utrecht, maar later ook bij Den Haag. Maar ik kon me dus in de luwte ontwikkelen en uiteindelijk ging het heel goed. Als mensen de naam Michael Mols horen, denk ik dat ze toch als eerste denken aan FC Utrecht.”

FC Utrecht speelde in die periode niet mee om de prijzen. Dan is jouw prestatie om uit te groeien tot clubicoon in drie jaar tijd des te opvallender.
“Op dat moment sta je er niet bij stil. Als team wil je gewoon goed presteren. Maar de resultaten waren wisselend. We werden steeds zo ongeveer 10e of 13e. Persoonlijk ontwikkelde ik me steeds beter. Ik denk dat ik daardoor wat meer opviel.”
 
Wat ook heeft bijgedragen aan je succes is het feit dat je ook goed met de supporters kon opschieten. Je hebt nooit last gehad van sterallures.
“Kijk, als je aardig een balletje kan trappen, wil dat niet zeggen dat je je anders voor moet doen dan je bent. Ik zie het zo: Ik heb nu een kleine. Als mijn zoon iemand herkent en diegene een handtekening vraagt, vind ik het ook leuk als ‘ie dat doet. Aan de andere kant: Als wij moeten voetballen in een leeg stadion, haalt dat toch het grootste plezier weg.”
 
Je populariteit was ongekend. Er werden veel liedjes over je gezongen in het stadion.
“Als ik daarop terug kijk… Er zijn maar weinig spelers die dat voor elkaar hebben gekregen en zeker als Amsterdammer in Utrecht is dat bijzonder. Op dat moment voelde het heel ongemakkelijk naar mijn ploeggenoten toe. Maar als ik er nu op terug kijk is dat wel heel speciaal. Ik waardeer dat soort dingen ook. Als ik kijk naar al die dingen die mensen voor me hebben gedaan. Dat waardeer ik enorm.”
 
Je was ook een graag geziene gast in het Supportershome.
“Dat vond ik ook het leuke aan Utrecht. Het was echt een vereniging. In mijn tweede periode was het een stukje afstandelijker geworden. Dat vind ik wel jammer, want je moet toch een beetje binding houden met het publiek. Ik vond het leuk dat ik bij alle geledingen gewoon even slap kon gaan ouwehoeren. Ik kon even naar de business club om daar wat rond te hangen, ik ging even naar het supportershome. Dat vond ik heel leuk in die tijd: Een stukje saamhorigheid. In mijn eerste periode bij Utrecht had ik meer het gevoel dat alles door elkaar heen liep.”
 
Hoe is dat dan nu bij Feyenoord?
“Ondanks dat het zo’n grote club is, is het hier nog wel zo. Feyenoord is echt een vereniging. Het is hier niet zo kil en koud.”
 
Besef je je eigenlijk wel dat mensen speciaal voor jou naar het stadion toekwamen in die tijd?
Wat doet dat met je?
“Ja, dat waren familie en vrienden, hahaha. Nee, ik heb altijd het gevoel dat mensen voor FC Utrecht kwamen, en omdat ik toevallig dat shirt aan heb, was ik daar onderdeel van. Ik had niet het idee dat mensen alleen maar een kaartje kochten om mij te zien.”
 
Ik kan uit ervaring vertellen dat dat wel zo was.
“Serieus?”
 
Ik moet eerlijk toegeven dat ik nu tegenover mijn jeugdheld zit en dat ik mijn eerste seizoenskaart op dertienjarige leeftijd wel mede kocht om jou te zien spelen.

“Dat vind ik echt mooi om te horen. Als kind had je ook spelers die je volgde. Op straat was ik dan een bekende speler. Later hoorde ik ook van Rick Kruys dat hij bij pleintjesvoetbal mij wilde zijn. Het is moeilijk te geloven dat ik dat ook teweeg heb gebracht. Dat vind ik een heel mooi compliment.”

Je kwam ook, weer, in beeld bij het Nederlands elftal in die periode.
“Dat klopt. Dat was in 1998 voor het WK in Frankrijk. Ik werd uitgenodigd voor een trainingsstage in Amerika. Bij FC Utrecht ging alles steeds beter, maar helaas heb ik die lijn nooit door kunnen trekken in het Nederlands elftal. Het gaf wel aan dat ik goed bezig was.”
 
Het bleef bij een leuke ervaring?
“Het blijft altijd speciaal om voor het Nederlands elftal uit te komen. Toen ik klein was keek ik op TV en zag ik het Nederlands elftal bij Huis Ter Duin. Toen zag ik idolen als Koeman, Gullit en Rijkaard. En nu zat ik daar zelf bij.”
 
Is zo’n oproep voor oranje het hoogtepunt in je loopbaan?
“Als voetballer hoop je natuurlijk het Nederlands elftal te halen. Maar als hoogtepunt zie ik toch meer mijn afscheid bij FC Utrecht. Omdat ik daar als speler én als mens werd gewaardeerd. Dat betekent voor mij meer dan zes keer in het Nederlands elftal spelen.”


 
Uiteindelijk kwam er natuurlijk interesse van andere clubs. Ik kan me herinneren dat onder meer Sheffield Wednesday je graag wilde hebben.
“Er waren er meerdere. Ik ben toen onder meer een keer naar Italië gegaan. De Serie A… Het was voor mij een droom dat er interesse was. Ik ben toen daar in bespreking gegaan met Vicenza, maar heel gek: Toen ik daar in die stad liep, het was druilerig weer, had ik een vreemd voorgevoel. Ik dacht: Dit is het niet voor mij.”
 
Het is voor jou belangrijk dat je je echt lekker voelt.
“Ja. Ik moet een goed gevoel hebben. De sfeer rondom een elftal is voor mij belangrijk. Ik had in Italië een gesprek gehad met de president en dat ging allemaal goed. Maar iets hield me tegen, dus uiteindelijk heb ik het afgezegd. Later kwam inderdaad Sheffield. Dat was heel concreet. De trainer wilde me heel graag hebben en ik heb ook met Wim Jonk gesproken die daar toen speelde. Dat was allemaal heel positief. Op maandag deden ze me een voorstel en ik moest vrijdags beslissen. Maar die vrijdagochtend werd ik gebeld door mijn zaakwaarnemer met de mededeling: Ik ga het je moeilijk maken. De Rangers willen je ook hebben.
 
Als Glasgow Rangers belt, dan zeg je geen “nee”?
“De reden dat ik bij Utrecht weg wilde, was dat ik graag Europees voetbal wilde spelen en dat ik om de prijzen wilde spelen. Bij de Rangers speel je altijd om het kampioenschap van Schotland en je speelde of Champions League of Uefa Cup. Voor mij was het daarnaast erg belangrijk dat er een Nederlandse trainer zat in de persoon van Dick Advocaat en er waren ook twee Nederlandse spelers: Arthur Numan en Giovanni van Bronckhorst. Ik was er wel vrij snel uit.”


En vervolgens een indrukwekkend afscheid in de Galgenwaard.
“We verloren in de laatste minuut van PSV. Dat was toen wel een domper, maar je zag dat iedereen bleef zitten. Iedereen had een klapsjaaltje en er werden heel veel bloemen op het veld gegooid. Dat soort dingen zal ik nooit vergeten. Ongeloofelijk… Er was zelfs een speciale bijlage van het Utrechts Nieuwsblad waarin mensen allemaal gedichten hadden geschreven. Ik meen me te herinneren dat het gedicht “Koning van de draai” toen een prijs heeft gewonnen. Ik ben niet echt een hele grote speler, maar er zijn maar weinig spelers die zoiets moois hebben meegemaakt. Daar ben ik trots op.”
 
Ook in Glasgow maakte je veel indruk door in negen wedstrijden negen keer te scoren.
“Hoe gek het ook klinkt: Ik heb daar nooit veel van meegekregen. Ik was zo bezig mezelf te bewijzen. Ze betaalden vier miljoen pond voor mij, als speler die niemand kende. En het was een overstap van een Nederlandse subtopper naar een topclub. Ik had als doelstelling in de basis te komen en me van daaruit verder te ontwikkelen. Maar ik schijn toch een aardige indruk te hebben achter gelaten.”

 
Hoe vond je het dat FC Utrecht-supporters massaal naar Schotland kwamen om je te zien voetballen?
“Dat weet ik nog. We speelden thuis tegen Aberdeen. We wonnen met 3-0 en ik scoorde twee keer. Mijn zoon was pas geboren. Ik vond het heel bijzonder dat zoveel mensen over kwamen vanuit Nederland om mij te zien.”

 
Helaas kwam er toen een einde aan het sprookje door een ernstige blessure.
“Klopt. Alles ging in een roes. Ik denk dat die blessure een teken was van mijn lichaam om te zeggen: Even rust. Ik verhuisde vanuit Nederland naar het buitenland, ik was net getrouwd, ik was vader geworden. Ik kreeg die blessure in een Champions League-wedstrijd tegen Bayern Munchen op een heel lullige manier. Ik probeerde hem (Bayern-doeman Kahn, red.) te ontwijken, hij tikt me even uit balans en ik kom verkeerd terecht. Achteraf gezien volgde toen een moeilijke periode van twee jaar.”

 
Denk je er wel eens aan hoe je loopbaan was geweest als je die blessure niet had gehad?
“Nee, ik zelf niet. De Schotse fans vragen zich dat wel af. Maar ik kan niets met dat soort dingen. Ik kreeg deze blessure op latere leeftijd. Als ik het een paar jaar eerder had meegemaakt was mijn carrière misschien helemaal niet van de grond gekomen. Blessures horen bij het voetbal. Wat voor mij persoonlijk belangrijk is: Alles wat ik voor mijn blessure deed, heb ik daarna ook weer kunnen doen. Uiteindelijk heb ik bij de Rangers een prijs gewonnen en ook na mijn blessure weer Champions
League gespeeld. Dat maakte de cirkel weer rond.”
 
Michael, in 2004 kwam je terug bij FC Utrecht.

“Er zijn misschien mensen die daarop terug kijken en het hebben over een mislukking of zeggen: het was niet wat het had moeten worden. Maar daar ben ik het niet mee eens. Voor mij was het aan de ene kant een groot risico om terug te keren. Mensen hadden een bepaald beeld van mij, maar daar kon ik niet meer aan voldoen. Aan de andere kant wilde ik de club graag helpen: Ik zou stand-in worden voor Hans van de Haar en tevens als soort mentor fungeren voor de jongere spitsen. Dat waren Prince Rajcomar en Sandro Calabro. Maar de mensen vergaten dat ik voor ik bij Utrecht kwam zes maanden niks had gedaan. Als je dan terug komt, ben je elke dag bezig terug te komen als voetballer. Om weer op niveau te komen heb je tijd nodig, en die tijd kreeg ik niet bij FC Utrecht.”


Je ging naar Den Haag, maar had misschien beter bij Utrecht kunnen blijven.
“Ik zal je precies vertellen hoe het gegaan is. Ik kwam in de winterstop en had een contract voor anderhalf jaar. Na het eerste half jaar had ik een gesprek met Foeke Booy. Daar kwam uit dat ze eigenlijk liever niet met me verder wilden gaan. Ik had nog een contract, maar ze lieten doorschemeren liever verder te gaan met andere spelers. Ik was op een leeftijd waarop ik geen zin meer had om mezelf te bewijzen. Ik had gehoopt op wat meer krediet, maar dat gevoel had ik niet. Ik ga dan niet blijven terwijl de trainer liever niet met me wil werken. In het belang van FC Utrecht heb ik toen gezegd: neem mijn contract maar en haal de speler die je wilt halen.
 
Was de club erg veranderd?
“Ja, het was allemaal wat afstandelijker. Het was wat killer. Vroeger had je alles in het stadion zelf. Alles liep door elkaar heen, maar nu heb je Zoudenbalch en dan mis je toch een beetje het contact met de mensen achter de schermen. Dat vind ik jammer.”
 
Ben je bij Utrecht weg gegaan met een vervelend gevoel?
“Nee. De trainer heeft toen gekozen voor een andere speler. Dat is zijn goed recht, maar voor mezelf vind ik het wel jammer dat ik te weinig vertrouwen heb gekregen, want ik heb een risico genomen door naar Utrecht te gaan. Ik wilde de club helpen. Mijn idee was om mijn loopbaan af te sluiten bij Utrecht. In mijn contract stond ook dat ik een afscheidswedstrijd zou krijgen tussen Glasgow Rangers en FC Utrecht. Ik verwijt de trainer niets, maar na die periode heb ik wel bewezen dat ik nog van waarde kon zijn: zowel bij ADO Den Haag als bij Feyenoord. Maar mijn idee was dus afscheid nemen bij Utrecht met een afscheidswedstrijd. Wat zou op dat moment mooier zijn geweest?”
 
Ik hoorde dat die afspraak nog steeds staat en dat er nog steeds een afscheidswedstrijd zou kunnen komen.
“Maar dat wil ik niet meer. Ik ben nu al vier jaar weg bij Utrecht. Het zou gek zijn om dan een afscheidswedstrijd te organiseren. Het was al moeilijk om na mijn laatste wedstrijd in de Galgenwaard een bloemetje te geven op het veld. Dat maakt me niet uit en dat begrijp ik ook, maar dan vind ik een afscheidswedstrijd wat overdreven.”
 
Je ging naar Den Haag waar je het ongelijk van FC Utrecht bewees.
“Ik voelde me in dat half jaar bij FC Utrecht steeds sterker worden. Ik had daarvoor zes maanden niks gedaan, maar ik werd steeds sterker. Daarom ging ik door bij Den Haag. Ik dacht dat ik bij Den Haag van waarde kon zijn als ik een goede voorbereiding zou hebben. En bij Den Haag ging het steeds beter en beter: het gevoel kwam weer terug.
 
Bij ADO Den Haag ging het voetballend wel goed, maar kwam je wel terecht in een hoop onrust.
“Dat was in mijn tweede seizoen bij ADO. In het eerste seizoen ging het goed, want we bleven in de eredivisie. Alleen het jaar daarna werd het een rumoerig einde van het seizoen.”
 
Wat gebeurde er dan?
“Ik kreeg van bepaalde spelers persoonlijke kritiek. Ik zou vedetteneigingen hebben, ik nam mijn verantwoordelijkheden niet in het veld, ik speelde voor mezelf, ik speelde bewust een bepaalde speler niet aan en ik maakte jeugdspelers niet beter. Dat was de kritiek.”
 
Was dat een generatieconflict?
“Nee, dat was het niet. Ik heb wel een idee wat er achter zat.”

Het kwam toch vanuit de spelersgroep?
“Dat klopt. Het was aan het einde van het seizoen en er knakte iets bij mij. Ik wilde toen eigenlijk meteen stoppen. In het gesprek dat volgde probeerde ik mezelf te verdedigen. Pas toen ik naar huis reed, werd ik me er van bewust wat er tegen me werd gezegd. Ik dacht: Ze zoeken het allemaal maar lekker uit. Dat drong door tot een ander deel van de spelersgroep en die kwamen bij me thuis om me over te halen toch het seizoen af te maken.”
 
Dus er waren twee kampen op dat moment.
“Het ging eigenlijk om één jongen en die zocht steun bij zijn vriendjes, denk ik. Maar ik wilde niet dat mensen zouden zeggen dat ik een zinkend schip verliet. Mijn zaakwaarnemer was ook erg betrokken bij ADO Den Haag en die wilde ik ook niet in de steek laten. En ook de mensen achter de schermen waren altijd goed voor mij. Daarom vond ik dat ik het niet kon maken om er mee te stoppen.”
 
Hoe zit Michael Mols dan in elkaar? Je vertelde net dat je in de auto zat en toen beseft wat men over je zei. Reageer je dan heel kwaad of juist heel ingetogen?
“Ik ben een binnenvetter. Mijn vrouw zag meteen dat er wat was. Het deed me gewoon erg veel pijn. Ik kan niet tegen onrecht en ik weet zeker dat de kritiek die ik kreeg nergens op gebaseerd was. Ik heb het nog getoetst bij mensen voor de zekerheid, maar ik weet honderd procent zeker dat ik niet zo’n speler ben. De kritiek deed me wel pijn.”
 
Je speelde wel in een ploeg met oud-Utrechters in het Zuiderpark.
“Ja. Bosschaart, Vreven, Postma. Als je ziet welke spelers we hadden, hadden we toch in de eredivisie moeten blijven. Maar als het geen team is…”

 
Kijk je met een vervelend gevoel terug op die periode?
“Niet op die periode bij Den Haag, want dat deed me denken aan mijn beginperiode bij Utrecht. Dat sfeertje trok me heel erg aan en ik kon het ook goed vinden met de mensen achter de schermen. Dat positieve gevoel overheerst bij mij. Ik moet eerlijk zeggen: Ik heb ook een zwak gekregen voor ADO Den Haag.”
 
En toen dachten veel mensen: Het is wel klaar met die Mols. Maar Feyenoord toonde interesse. Heeft dat je verbaasd?
“Eerst kwam er nog interesse vanuit Australië. Ik ben daar ook gaan kijken, maar mijn gevoel was niet zo goed. Het was het niet.”
 
Wat dat betreft ben jij toch iemand die vaak op zijn gevoel afgaat.
“Ik ga altijd op mijn gevoel af. Ik heb nog nooit voor geld gekozen.”
 
Het werd dus niet Australië, maar Rotterdam-Zuid.
“Dat speelde al aan het einde van mijn laatste seizoen met Den Haag. De geruchten gingen toen dat Erwin Koeman me wilde halen, maar dat geloofde ik niet. Ik dacht in eerste instantie ook dat Feyenoord me wilde hebben voor de amateur-afdeling. Maar voor het begin van het nieuwe seizoen maakten ze hun interesse kenbaar. Voor de buitenwereld was dat misschien verrassend, maar als je nuchter naar de situatie kijkt was het toch begrijpelijk en logisch. Feyenoord had geïnvesteerd in grote namen, ik denk dat het budget op was, maar ze hadden maar één spits. (Roy Makaay, red.) Dus als er wat met hem zou gebeuren, hadden ze niemand achter de hand. Vanuit de jeugd was er nog niet iemand die er direct stond. Ik was transfervrij, vond Feyenoord een mooie afsluiting, maak geen probleem als ik op de bank moet zitten en financieel was ik ook aantrekkelijk voor Feyenoord. Op dat gebied was ik een logische keuze.”

Ook bij Feyenoord was het onrustig de laatste tijd. Hoe is dat als speler?
“Dat lag meer aan de trainer. De sfeer was anders. Mijn eerste periode bij Feyenoord was fantastisch. Er werd goed getraind onder Van Marwijk en het voetbal was van een hoog niveau. Ik had het naar mijn zin.”
 
Jullie haalden ook de bekerfinale.
“Ja, en die wonnen we ook. Maar het klikte dit seizoen niet tussen de trainer en de spelersgroep. En dat is niet leuk.”
 
Hoe keek je daar persoonlijk tegen aan?
“Mijn positie was hetzelfde als vorig seizoen. Daar veranderde niks aan, maar de sfeer was niet goed. Dat trek ik me aan. Ik hou van gezelligheid en een beetje slap ouwehoeren met mensen. Als iedereen dan chagrijnig is, trek ik me dat toch aan. Daarnaast waren de prestaties niet denderend. Het klikte gewoon niet met de trainer.”
 
In de media ontstond een beeld van een luie spelersgroep.
“Dat heeft Verbeek slim gespeeld. Maar we lopen allemaal al wat langer mee en als we lui waren geweest, hadden we echt die top niet bereikt.”
 
Stoor jij je dan aan het beeld dat de media schetst?
“Je weet dat het erbij hoort. Maar het stoorde me wel dat we werden afgeschilderd als iets dat we niet waren. Dat is onrecht.”
 
Met Feyenoord speelde je eind mei 2009 voor de laatste keer in de Galgenwaard. Denk je daar van te voren bij na?
“Ja, natuurlijk. Ik hoopte voor de wedstrijd op wat speelminuten. Maar ik wordt meestal ingebracht als we achter staan en dat wilde ik ook weer niet. Gelukkig heb ik wel wat minuten mogen maken in die wedstrijd.”
 
Als je in Galgenwaard kwam, werd je toch altijd toegejuicht.
“Ja, dat is een stukje waardering, maar dat is ook wederzijds. De club is altijd goed voor me geweest. Net als de supporters.”
 
Nu is het tijd om afscheid te nemen van het betaalde voetbal.
“Ja, in het begin van het seizoen heb ik dat gezegd… Maar ik moet eerlijk zeggen: Ik ben gewoon een liefhebber, heb plezier in het spelletje en ik voel me nog goed. Ik heb niet het idee dat ik een clown ben op het veld. Dus mocht er nog iets komen… Bijvoorbeeld een avontuur in het Midden-Oosten, dat zou me wel wat lijken. Aan de andere kant ben ik wel realistisch. Ik ben 38 en ik denk niet dat ze op
mij zitten te wachten.”
 
Weet je al wat je gaat doen na je carrière?
“Nee.”
 
Schuilt er een trainer in jou?”
“Nee, maar je gaat er toch over nadenken. Wat me wel leuk lijkt is techniektrainer of revalidatietrainer. Zeg maar: het traject van de massagetafel tot bij de groep.”

Heb je ook papieren in die richting?
“Nee, maar ik ga wel kijken of er een cursus is die ik zou kunnen volgen. Maar ook qua techniektraining heb ik wel dingen in mijn hoofd over hoe ik het zou willen. Veel dingen zijn toch tot een bepaalde hoogte trainbaar.”
 
Heeft Feyenoord je al ergens voor benaderd?
“Nee, ze hebben niks laten vallen of voorgesteld.”

Bij je afscheid van Utrecht in 1999 zei je onder meer “Ik heb een club gevonden.” Hoe zie je dat nu?
“Dat is nog steeds zo. Ik blijf FC Utrecht volgen en ik zal nooit vergeten wat Utrecht en de supporters voor me hebben gedaan.”
 
Kunnen we je nog vaak verwachten in de Galgenwaard in de toekomst?
“Zeker. Ik zal zeker nog eens op de tribune zitten.”
 
De laatste woorden zijn aan jou.
“Ik wil iedereen van FC Utrecht bedanken voor de steun, het respect en de waardering die ik altijd heb mogen ontvangen.”


Danny van der Linden
Eerder geplaatst in Forza (2009)

 

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Reactie plaatsen